Zoek op de website

Groninger Smalfilmers (GSF)

Groninger Smalfilmers (GSF)

In 1947 werd Dries Hendriks lid van de Groninger Smalfilmers (GSF) en ook al spoedig (1949) secretaris van het bestuur. Hij gold als een vernieuwer en drijvende kracht binnen de GSF. In 1949 bezocht hij het NOVA-congres (Nederlandse Organisatie van Amateur filmclubs) en wist in 1950 voor elkaar te krijgen dat de GSF zich daarbij aansloot, omdat de GSF anders te regionalistisch en geïsoleerd zou blijven.

De Draaikop

Still AV5449 Dries Hendriks Still AV5449 Dries Hendriks

Als secretaris gaf hij vorm aan de convocaties voor de maandelijkse filmavonden die in 1952 werden omgezet in een eigen orgaan: ‘De Draaikop. Contactorgaan van de Groninger Smalfilmers’. Er was een redactie van drie leden, maar hij schreef zelf het blad grotendeels vol. In het orgaan van de NOVA, het Veerwerk, deed hij oproepen om meer filmclubs in het Noorden op te richten. Dit leidde tot de oprichting van smalfilmclubs in Winschoten, Leeuwarden, Hoogeveen, Veendam, Heerenveen, Harlingen en Meppel en Assen. Hij stond ook aan de wieg van de afdeling Noord van de NOVA die in 1960 officiële status kreeg. Een poging van Hendriks om van De Draaikop het districtsorgaan van NOVA-noord te maken, strandde toen de Friese clubs hier niet voor bleken te voelen. 

In 1956 organiseerde de Groninger Onderwijs Film Centrale (GOFC) een cursus filmvorming gevolgd door enige filmavonden. Namens de Groninger Smalfilmers vertoonde Hendriks op de eerste daarvan in de Klaas de Vriesschool aan de Boteringesingel diverse films, waaronder de bekende film “Nightmail”, maar ook Nederlandse films van Kees Stip en Max de Haas. In het bijzonder vroeg Hendriks aandacht voor de films van Norman McLaren, door wie hij zelf sterk geïnspireerd zou worden. 

In maart 1958 verzorgde hij weer een filmavond voor de GOFC, waarbij hij onder andere eigen filmwerk liet zien zoals “De appel” en “De zee en het land”. De hoogleraar Nieuwenhuis, voorzitter van de GOFC merkte naar aanleiding van de laatste film op dat de grens tussen amateur- en beroepsfilmer hier niet meer te trekken viel, een groot compliment voor Hendriks.

Tussen 1960 en 1963 keerde Dries Hendriks zich in De Draaikop voortdurend tegen de geringe aandacht in de kranten voor bij voorbeeld de NOVA-congressen en de daar vertoonde films. Ook in het blad Smalfilm, maandblad voor amateurfilmers, stelde hij deze problematiek aan de orde. Toen hij in 1961 enthousiast begon te schrijven over de films van de Nouvelle Vague, die in Groningen te bewonderen vielen in de zojuist geopende Studio-bioscoop aan het Hereplein, ondervond hij van zijn collega-amateurfilmers weinig bijval. Daar waar hij open stond voor de nieuwe technieken, waren zijn collega’s er niet van gediend. Hij concludeerde: “de starre en vaak schoolse techniek van de amateur kan echt nog wel wat ‘lossigheid’ gebruiken”.

In 1963 kwam er een einde aan de werkzaamheden van Hendriks voor De Draaikop als hoofdredacteur omdat hij meer tijd aan filmen wilde besteden.

Overigens trok hij het belang van de GSF niet in twijfel. Het was in zijn ogen een educatieve vereniging voor filmers met de bijbehorende feestelijkheden

De GSF gaf vanaf 1965 maandelijkse filmavonden in bejaardentehuizen. Als ambitieuze amateurfilmer had hij toch bedenkingen bij filmvoorstellingen voor niet-amateurfilmers. Het ging immers doorgaans om een niet-kritisch publiek, waaraan de filmer zich niet kon optrekken of er iets van leren. Hendriks wist wel waar hij het over had want hij was één van de weinigen die boven het gemiddelde uitsteeg. Zijn zeer succesvolle film “De zee en het land” was een verfilming van het gedicht ‘Overstroming’ van Willem Johan van der Molen, dat in 1954 in De Gids was gepubliceerd. Het was een zeer zware opgave. De bewegingen in de film ontstonden door het gebruik van knipsels en sjablonen. Het kostte Hendriks anderhalf jaar. Hoewel hij veel waardering ondervond binnen de smalfilmwereld, stak het hem dat de pers zo weinig aandacht besteedde aan deze films. 

Bij het 30-jarig bestaan van de Groninger Smalfilmers dat in september 1976 gevierd werd met een 3-daags programma in cultuurcentrum de Oosterpoort noemde Hendriks het vervaardigen van films in teamverband van groot belang bij het produceren daarvan en onderstreepte hij nogmaals het belang van de sociale functie van de club. Hendriks schreef de GSF-jubileumfolder “30 jaar niet-professionele film”. 

Na zijn vertrek naar Italië deed hij in 1983 en 1985 nog twee keer mee met een inzending voor het NOVA-congres. Daarna werd het rustiger rondom Hendriks, hoewel hij zijn filmactiviteiten niet staakte. 
In de periode 1990-1994 werkte hij aan de animatiefilm “Molto Bello” volgens een nieuw procédé. Hij won met deze film de 2e prijs op een filmfestival in Oostenrijk. Lees verder